Status, ijdelheid en autonomie

Dit fragment van Pauw en Witteman (uitzending van 24 november 2011) toont een discussie tussen de professoren Robert Dijkgraaf (KNAW) en Yvo Smulders, en de psychiater in opleiding Joeri Tijdink. In een nog te schrijven bijdrage ga ik in op de statements van Dijkgraaf, maar hier beperk ik me tot Smeulders en Tijdink.

Het was Tijdink opgevallen dat iemand met wetenschappelijke ambities veel en belangrijke publicaties nodig heeft. Tijdink benaderde een groot aantal medische hoogleraren om het effect hiervan op op deze groep te onderzoeken. Zijn hypothese is dat publicatiedruk het welbevinden van hoogleraren aantast en de kwaliteit van hun werk negatief beïnvloedt. 425 Hoogleraren ( dat is ongeveer 40% van de medische hoogleraren in Nederland) deden mee aan het onderzoek.

De resultaten van het onderzoek zijn, op het eerste gezicht, nogal schrikbarend: Om te beginnen vindt 53, 8 % van de medische hoogleraren de publicatiedruk te groot. Een op vier van de medische hoogleraren vertoont verschijnselen van burn-out. Een groot aantal vermoedt dat collega’s rommelen met data, als direct gevolg van de publicatiedruk.

Smeulders legt uit dat publicatiedruk begint bij je zelf. Hoogleraren zijn ijdel, aldus Smeulders, en het systeem van belonen en waarderen versterkt dit. Als je in ‘aanzien en financieel’ wordt afgerekend op het aantal geschreven publicaties is dat olie op het vuur gooien en een vicieuze cirkel. Hij legt uit dat medisch specialisten veel verschillende taken hebben: de patiënten moeten verzorgd worden, de managementverantwoordelijkheid moet worden gedragen, onderwijs en begeleiding moeten worden gegeven, en publicaties moeten worden geschreven. Dat laatste is belangrijk, want publicaties zijn toch de enige manier om de academische punten te scoren die je nodig hebt om hoogleraar te worden. En dat doe je om autonomie te verkrijgen, want dat wil toch iedereen die op een bepaald punt in zijn carrière is gekomen…

Volgens Smeulders zijn de medische hoogleraren cynisch over hun eigen tak van sport als gevolg van de publicatiedruk. Dan wordt het bijna surrealistisch: Volgens Smeulders is het namelijk mogelijk om niet-intentioneel te rommelen met data. Sterker nog, hij stelt dat iedereen die met data bezig is voor een artikel, “continu in de verleiding is om er wat mee te doen.” Iedereen weet immers wat een tijdschrift wil: positieve resultaten.

Ik geloof dat veel hoogleraren op hun tenen lopen. Ik accepteer dat er veel overbelast zijn en cynisch. Publicatiedruk is reëel en de bijbehorende bibliografische analyses ervaar ik zelf ook als een slecht managementinstrument (dat komt later aan bod). Ik vind het positief dat Smeulders dit probleem probeert aan te kaarten, en het lijkt me dat het hogere management van academische ziekenhuizen serieus moet kijken naar het welbevinden van hun staf. Maar de twee causaliteiten dit Smeulders suggereert te weten -1- cynisme t.g.v. publicatiedruk, en -2- eventueel datamassage t.g.v. publicatiedruk lijken me beiden echt onjuist.

Bijbelvast ben ik niet, maar bij het zien van de statements van Smeulders komt Johannes 8:7 toch HEEL STERK in mij op [Statenvertaling]:”Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen.”

Nou …. Graag…

Laat ik met de werkdruk beginnen: Ik was –niet zo heel lang geleden- Head of Operations van JET, werelds grootste kernfusieexperiment. Ik was verantwoordelijk voor de operations van de plant, dwz de logistiek, de planning, de requirement-definition voor de shutdowns, en voor de garantie van de operationele beschikbaarheid van de plant gedurende experimenten.

HoO is een zware management taak. Om een gevoel voor het volume te geven: Gedurende een shut-down werken ongeveer 700 technici op JET, en de operationele kosten van JET bedroegen toen 60 Meur per jaar. Ben ik, gedurende de periode dat ik Head of Operations was, anders met data omgesprongen dan daarvoor of daarna? Nee, natuurlijk niet! Heb ik veel gepubliceerd in die periode? Nee natuurlijk niet. Ik kon namelijk me niet vrij maken om het wetenschappelijke werk op professioneel niveau te doen.

In mijn huidige functie ben ik verantwoordelijk voor management, voor de ontwikkeling van technologie en de bijbehorende valorisatie, voor het definiëren en uitvoeren van nieuwe wetenschappelijke programma’s, voor onderwijs en begeleiding en voor publicaties. Ben ik door mijn drukke bezigheden anders met data omgesprongen dan volgens de hoogste normen? Nee, natuurlijk niet!

In de afgelopen weken heb ik een aantal gevallen besproken met de volgende conclusies:

  • Wetenschappelijke fraude is van alle vakgebieden
  • Wetenschappelijke fraude is van alle tijden.
  • Sommige wetenschappelijke fraudeurs worden door hun vakgenoten gezien als toppers. Schön en de Poldermans publiceerden ongeveer een paper per week.

Met andere woorden: Er werd gefraudeerd voordat wetenschappers werden gerankt op output en impact. De werkdruk van medische specialisten alleen is niet genoeg is om fraude te verklaren. Publicatiedruk is iets dat gevoeld wordt door mensen die niet genoeg publiceren, niet door mensen die 40 publicaties per jaar schrijven. De publicatiedruk is niet verantwoordelijk voor het getoonde gedrag.

De crux zit volgens mij in de beschrijving waarom mensen wetenschap doen. Om het maar op het punt te brengen: Als je hoogleraar wordt uit ijdelheid, zoals Smeulders letterlijk suggereert en om automie te verwerven ben je cynisch voordat je überhaupt publicatiedruk hebt ervaren. Dan heb je een onwetenschappelijke motivatie om wetenschap te doen.

Mag ik u wat alternatieven aanbieden? Je zou kunnen besluiten om hoogleraar te worden om je te verdiepen in je vakgebied, om het mysterie van de werkelijkheid te ontrafelen, om op het allerhoogste intellectuele niveau te functioneren in samenwerking met geweldige vakgenoten, of met jonge enthousiaste talentvolle mensen. De publicaties zijn dan een spin-off van dit proces. Dit zijn zo maar wat voorbeelden die me te binnen schieten. Ongetwijfeld zijn er nog veel andere, net zo positieve, motivaties te geven.

Als kind woonde ik op Curacao en was ik altijd buiten. Er was er van alles te zien. Ik had een ‘sterrekijker’ gebouwd. Dat was een waardeloos ding, maar wat was het gaaf om ’s avonds in de tuin te proberen om een glimp van de maan te krijgen. Ik las boeken over biologie, geologie, reservaten in Rocky Mountains, en de Azteken en Inca’s. Ik verslond National Geographic. Geen idee van status, of inkomen of autonomie maar ik kon ik me niets anders dan voorstellen dat ik wetenschapper zou worden. Mijn vriend Evert (die trouwens ook wetenschapper is geworden) en ik struinden de knoek af op zoek naar interessante objecten die we onder de microscoop van zijn vader bekeken.

Ik wilde gewoon alles begrijpen, en weten. Dat is niet heel erg veranderd met de jaren. Ik ben vaak heel cynisch over wetenschapsmanagement, over bibliografie, en rankings. Maar het wezenlijke zit toch in de motivatie waarom je iets doet.

De causaliteit ligt volgens mij precies andersom dan Smeulders suggereert: -1-IJdel en cynisch met als gevolg daarvan een zelfopgelegd publicatietarget, en -2- zelfopgelegd publicatietarget, en dus wellicht in de verleiding. Ach… kenden Smeulders en Tijdink hun klassieken maar wat beter, dan zouden ze direct doorzien wat ze mee te maken hebben.

De grootste cynicus in de geschiedenis van de wetenschap was Faust. Goethe heeft voor ons het geval van Faust gelukkig heel goed gedocumenteerd. Faust geniet veel aanzien, in het bijzonder bij zijn patiënten. Maar Faust heeft een enorm psychologisch probleem. De wetenschappelijke methode biedt hem geen voldoening meer. Het tempo van gedegen onderzoek is te traag voor hem. Hij wil spectaculaire resultaten, en hij wil ze snel! Wanhopig geworden van de zinloosheid van gedegen wetenschappelijke studies, grijpt Faust terug op de magie in de hoop oneindige kennis te verwerven. Maar ook dat gaat niet erg goed, en Faust overweegt zelfs even om zelfmoord te plegen. Mephistopheles herkent het lijden van Faust, en ziet zijn kans schoon. Hij laat Faust met bloed een contract tekenen. Faust krijgt nu alles wat hij wil, maar in het hiernamaals is Faust in het bezit van de Duivel.

Faust geniet van zijn ride: resultaten, inzicht, status, rijkdom en, hoe kan het ook anders, sex. Voor dat laatste beïnvloedt Mephistopheles de naïeve Margarethe met juwelen, en brengt hij haar samen met Faust. Ze geeft haar moeder een slaapmiddel om met Faust samen te kunnen zijn (in de Bijbelse zin), maar dat gaat goed mis: Margarethe raakt zwanger, en de moeder sterft aan een vergiftiging. Margarethes broer stelt Faust ter verantwoording, waarna Faust en Mephistophele hem in een gevecht doden. Margarethe verdrinkt haar buitenechtelijke kind en wordt ter dood veroordeeld. Faust probeert haar nog uit de kerker te redden van de executie, maar zij wil niet mee. Faust en Mephistophele vluchten en de hemelse koren kondigen aan de Margarethe gered is ….

Het thema van Faust is bij mijn weten 4 maal in opera’s verwerkt. De bekendste zijn de versies van Gounod en Berlioz. Hier ziet u Susan Graham als Margarethe in La Damnation de Faust van Berlioz . Dit fragment is opgenomen in 2002 in Theater La Monnaie te Brussel. De aria heet D’amour l’ardente flamme, en wordt gezien als een van de mooiste uit het hele operarepertoire.

Over Marco de Baar

http://de.linkedin.com/pub/marco-de-baar/5/141/b33
Dit bericht werd geplaatst in Hall of shame, Reflectie en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s