Science in Transition gaat niet ver genoeg

Gastbijdrage op persoonlijke titel van Jelmer Renema, fysicus. Jelmer is te vinden op twitter onder @Jelmer_Renema.

Iemand die het lukt om een aula vol wetenschappers te laten luisteren naar wetenschapsbeleid heeft zijn zaken goed voor elkaar: de meeste wetenschappers willen zo min mogelijk met het universitaire bestuur te maken hebben. De spreker, dekaan Miedema, stond voor een volle zaal omdat hij sprak namens Science in Transition, een werkgroep die de structurele problemen binnen de wetenschap wil aanpakken. Helaas bleef de discussie beperkt tot technocratische voorstellen, waardoor de rijkwijdte van de voorgestelde veranderingen nooit groot genoeg kan zijn om echt het verschil te maken.

De feiten die in het verhaal aangedragen werden waren schrikbarend: als we Miedema mogen geloven is de wetenschap door en door rot. In sommige vakgebieden bijvoorbeeld blijkt de overgrote meerderheid van het onderzoek niet reproduceerbaar te zijn – als je het nog een keer probeert komt er iets anders uit. Dat is niet alleen slecht voor de stand van de wetenschap, het kan ook direct levens kosten als het onderzoek bijvoorbeeld gaat over de bijwerkingen van een medicijn.

Diepe crisis

Miedema sprak over de dolgedraaide cyclus van publiceren en geld aanvragen: geld is nodig voor publicaties, en het succes van die publicaties zet zich weer om in geld, waardoor er weer gepubliceerd kan worden. Deze cyclus zorgt voor allerlei problemen. Iedereen die in de wetenschap actief is weet zal aan den lijve ervaren hebben dat deze manier van werken leidt tot onzinnig onderzoek dat alleen gedaan wordt om dat het aansluit op de laatste hype.

De crisis die Science in Transition aankaart, zit heel diep. Hij gaat over de vraag waarom we wetenschap doen, wie bepaalt welke wetenschap wel en niet gedaan wordt, en over hoe we mensen belonen voor hun werkt. Toch hield Miedema zijn betoog bewust klein. Hij hamerde erop dat hij slechts een beetje aan de knoppen wil draaien. Bijregelen, en ‘geen ideologie’ – in zijn woorden –, dat is het devies, en dat is precies de zwakte van het hele project.

Niet neutraal

Die zelfopgelegde oogkleppen van het pragmatisme beperken de reikwijdte van wat Science in Transition te melden heeft. Hetgene waar Science in Transition in feite campagne tegen voert wordt New Public Management genoemd, een manier van het organiseren van de (semi-)overheid die ingang vond in de jaren 80. In deze manier van denken ligt de nadruk op markt en competitie als mechanismes van toewijzing van schaarse goederen (in dit geval: onderzoeksgeld), en wordt er veel gebruik gemaakt van kwantitatieve sturing. De kernwoorden van NPM zijn precies de three M’s - Markets, Managers and Measurement – waar in de lezing kritiek op geleverd werd.

Het probleem is nu, dat deze managementfilosofie helemaal niet ideologisch neutraal is: hij hangt nauw samen met het neoliberalisme dat onze maatschappij zoveel ellende bezorgt. De hele manier waarop wetenschap georganiseerd is is een soort lachspiegel-versie van de vrije markt: als je gelooft dat concurrentie de enige functionerende organisatievorm is, en dat maatschappelijk belang niet legetiem is (immers: there is no such thing as society), dan is het logisch dat je vindt dat onderzoeksgroepen georganiseerd moeten worden als bedrijfjes, die concurreren om overheidsgeld. Wil je daar wat aan veranderen, dan zul je de aannames die er achter zitten ter discussie moeten stellen, en je niet alleen beperken tot het laten zien van de voorspelbaar desastreuze gevolgen.

De grenzen van technocratie

Doordat SiT zijn kritiek inkleedt in de technocratische taal van het ‘beetje bijsturen’ maakt het zich enorm kwetsbaar voor co-optatie door de mensen die het systeem willen houden zoals het is. Dat is nu ook al aan het gebeuren: Minister Bussemaker prees de SiT-ers als ‘competente rebellen’, die oog hebben voor het probleem van ‘een sector [die] erg bezig is te doen wat men zélf vooral belangrijk vindt’. Zo wordt de kritiek moeiteloos omgebogen naar implicite steun voor een verdere neoliberale machtsgreep in de vorm van het topsectorenbeleid.

De maatschappelijke keuzes die liggen achter de manier waarop wij wetenschap doen zijn ideologisch van aard, of SiT dat nou wil onderkennen of niet. Ze raken de verdeling van macht in onze maatschappij: wie bepaalt er, wie welk onderzoek mag doen? Dat is een essentieel politieke vraag, die je met technocratie niet oplost.

Ik had daarom zeer gemengde gevoelens bij de lezing van SiT. Enerzijds was ik blij dat mensen met invloed onafhankelijk de linkse waarheden aan het herontdekken zijn: dat het vrije-marktmodel perverse prikkels produceert als je het buiten het bedrijfsleven toepast, dat concurrentie slechts een van de drijfveren in de maatschappij moet zijn en niet de enige, en bovenal: dat in rationeel eigenbelang opererende individuen niet altijd in staat zijn om problemen van collectieve aard op te lossen. Tegelijkertijd is het jammer dat de analyse niet scherp genoeg is om echt wat te veranderen.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De Arabist Jansen en de redelijke wereld

In 2011 werden bijna 6000 hoogleraren (gezien het grote aantal moeten dat ook emeriti zijn geweest) benaderd om mee te doen aan een enquête over religie en wetenschap. Het ging daarbij om de levensbeschouwing van de hoogleraren in het algemeen, en om de attitude van de hoogleraren jegens hoogleraren met een andere levensbeschouwing in het bijzonder.

De bevindingen zijn interessant en laten zien dat de levensbeschouwing van HLs nogal afwijkt van die van de gemiddelde Nederlander: Rapport_hoogleraren_2011. Het onderzoek werd in 2013 nog eens overgedaan gedaan: Rapport_hoogleraren_2013.

Terwijl ik de enquête invulde, betrapte ik me op een vooroordeel. Eigenlijk leek het me evident dat wetenschappers een positivistische houding zouden moeten hebben en dat een geloof in iets wat je niet zou kunnen meten een indicatie is voor verminderde geschiktheid als wetenschapper.

Gelukkig ben ik experimentator, en ik besloot me niet te laten leiden door mijn idee-fixes, maar door de wereld om mij heen. Ik heb toen een kladblok gepakt, en vier kwadranten getekend. Op de verticale as stonden “minder dan gemiddeld productief” en “bovengemiddeld productief” en op de horizontale as zette ik “niet gelovig” en “gelovig.” Ik maakte een lijst van wetenschappers die ik persoonlijk ken en waarvan ik de levensovertuiging weet. Deze wetenschappers rankte ik naar een algemene kwaliteitsindruk (input in discussies, experimentele flair, theoretische virtuositeit, het aantal boeiende papers dat geschreven werd, etc). In de lijst zaten net beginnende OiOs tot oudere wetenschappers. Voor de laatste categorie keek ik ook nog even naar de Hirsch factor, om mijn inschattingen te checken. Ik zat goed.

Daarna heb ik, op grond van mijn ranking, de 4 kwadranten gevuld met namen. Als snel kwam ik er achter dat mijn vooroordeel werkelijk kant nog wal raakte. Er was geen enkele correlatie tussen de levensovertuiging en de output of kwaliteit van de wetenschappers. Toen ik mij betrapte op mijn eigen vooroordeel (zo’n test is dan heel confronterend) voelde ik me flink in mijn hemd staan.

Ik moest daaraan denken, toen een paar dagen de Arabist Hans Jansen, een stukje schreef over religie en de relatie tussen opleiding en religieuze beleving. Jansen is emeritus hoogleraar sinds kort namens de PVV kandidaat voor het Europese parlement en columnist voor geenstijl. Ik weet geen fluit van religie, en religie boeit me ook echt niet, maar, gewaarschuwd door mijn eigen vooroordelen, las ik het stukje met enige aandacht.

Jansen sluit af met een paar statements (bold) die me triggerden: “Het christendom heeft een prachtig succes behaald: in de maatschappijen waar het domineert, of heeft gedomineerd, heeft het iedereen weten te overtuigen van de vanzelfsprekendheid van drie stellingen: ‘De schepper is redelijk en de schepping zit redelijk in elkaar.’ Zonder dat laatste geen wetenschap en techniek. ‘Behandel de mensen zoals je wilt dat zij jou behandelen.’ Zonder dat gebod geen democratie of rechtszekerheid, en geen vertrouwen in de handelspartners op de markt. ‘Fouten en schuld bekennen, daar knap je van op.’ Dat helpt te zoeken naar fouten van welke aard ook, en de verbeteringen aan te brengen die vooruitgang mogelijk maken.

Alleen erfgenamen van de Joods-Christelijke cultuur denken dat de voorafgaande drie stellingen vanzelfsprekend zijn. Buiten ‘onze’ cultuur worden deze drie opvattingen, waarvan de juistheid oncontroleerbaar is, niet gedeeld. Wie tot onze cultuur wil toetreden, zal die drie punten moeten aanvaarden. Hij hoeft niet te geloven dat Jezus over het water liep, hoe onschuldig dat geloof ook is. Dat bewaren we voor de godsdienstgekkies.”

Jansen zegt dus impliciet dat wetenschap en techniek zijn ontstaan door de culturele continuïteit van de Joods-Christelijke traditie en dat buiten die traditie rationaliteit en redelijkheid niet vanzelfsprekend zijn.

Om te beginnen is de notie dat de schepping redelijk in elkaar zit absoluut niet uniek voor de Joods Christelijke traditie. Veel wetenschap werd ontwikkeld in de oudheid (dwz. in de periode voordat er Überhaupt een christelijke traditie was ontstaan) en in gebieden die zich uitstrekken van China en India via het huidige Midden Oosten tot Europa (dwz gebieden waar nooit een christelijke tradiditie zou ontstaan). Veel van de wetenschap betrof astronomische observatie en modelvorming. Zeer nauwgezette observaties van planeetbanen werden gedaan. Dat heeft alleen zin als je er van overtuigd bent dat je –eventueel na een lange observatieperiode- regelmatigheden in de data zal aantreffen. Ook de wetenschappelijke arbeid van de Grieken was immens en had betrekking op planeten, sterren, warmte, licht tot en met directe metingen van de kromming van de aarde.  Ook in de Arabische wereld werd er ijverig aan wetenschap gedaan (laten we maar op het punt komen). Zeker tijdens de Islamic golden age (750 tot 1258) stortte men zich gretig op vertaalde teksten van Grieken, Persen en Indiërs, en werd er veel ontdekt. De kwantitatieve experimentele aanpak wordt toegeschreven aan Arabische wetenschapers. Daarnaast kennen we woorden als algebra, cijfer, (al)chemie: Dit zijn allemaal reflecties zijn van de activiteiten van Arabische wetenschappers.

En zo kan ik nog een tijd doorgaan om allemaal voorbeelden te geven van de overtuiging dat de wereld redelijk in elkaar die we delen met mensen die buiten de Joods Christelijke traditie staan.

Naast wetenschap is er de engineering. In engineering vormt de mens de wereld om zich heen. De grote culturen deden dat op grote schaal: Bouwwerken, irrigatiesystemen, wegen, bruggen, mijnen, havens, landbouw met bijbehorende logistiek om de opbrengst te transporteren naar technisch goed uitgeruste troepen. Allemaal activiteiten die alleen kunnen worden opgezet met behulp van modellen, ervaringen, common sense en de overtuiging dat de wereld redelijk in elkaar steekt.

Ik heb mijn vooroordelen aangepast in 2011. Kijken of Jansen dat ook doet. Dat zou ik nou redelijk vinden.

Geplaatst in Hall of shame, Politiek correct, Reflectie | Tags: , , , , , | 2 reacties

Analyse over attitutde van klimaatsceptici teruggetrokken

Zelfbenoemde strijders voor het vrije woord hebben weer eens een slachtoffer gemaakt.

Stephan Lewandowskay, hoogleraar in de psychologie deed een onderzoek naar de attitude van klimaatsceptici in het algemeen en hun attitude tot complottheorieën in het bijzonder. De bevindingen verbazen niet: het betreft aluhoedjes!

De bijdrage Recursive fury: Conspiracist ideation in the blogosphere in response to research on conspiracist ideation was oorspronkelijk gepubliceerd in Frontiers of Psychology, maar werd na intimidatie en druk op het journal teruggetrokken. Retraction watch geeft de chaotische gang van zaken weer. Arstechnica is ondubbelzinnig over de kwaliteit van de board van het journal. In het bijzonder de motivatie voor de retractie, door een jurist van het journal, geeft te denken:

In the light of a small number of complaints received following publication of the original research article cited above, Frontiers carried out a detailed investigation of the academic, ethical and legal aspects of the work. This investigation did not identify any issues with the academic and ethical aspects of the study. It did, however, determine that the legal context is insufficiently clear and therefore Frontiers wishes to retract the published article. The authors understand this decision, while they stand by their article and regret the limitations on academic freedom which can be caused by legal factors.

Lewandowskay staat nog pal achter zijn bevindingen, zoals hij uitlegt in dit filmpje. De bijdrage is nu integraal overgenomen op de website van de Australian Western University AWU.

Meer informatie vindt u hier:  http://www.iflscience.com/environment/conspiracy-theorists-get-paper-withdrawn-through-bogus-legal-threat#MfCWRwZSg4wtTypW.99

 

Geplaatst in Hall of shame, Politiek correct, Reflectie | Tags: , , , | 6 reacties

Real-time plasma position control with RT two-camera optical imaging sensor

In September and October 2013, I wrote three contributions on the steady progress of our Ph.D. Student Gillis Hommen, who was in the process of implementing a two camera Real Time optical imaging sensor for plasma boundary control on TCV.

It seemed like a fun idea to keep you up to date on the status and progress of the research, the concept, the implementation, the set-backs and the gradual improvements, and even used some of Gillis’e-mails to keep you up-to-date.

And then, suddenly, I did not report anymore. Did problems arise? Did the project fail? Quite the contrary: the results were fine, but I did not want to interfere with the publication process. Gillis directly wrote a publication that we submitted in February. We received favourable referee comments in March, and now the paper is accepted for publication in Nuclear Fusion .

One example of the experiments is shown in this youtube movie. The plasma is created and the X-point and strike-points are evolved until at t=0.45 s, the vision in loop system becomes active. Now, the plasma boundary is estimated in real-time from the optical images.  A controlled ramp-down of the plasma vertical position is carried-out, demonstrating the RT control capabilities of the system.

Geplaatst in Hall of fame, Innovatie | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

30 jaar TEXTOR

Gisteren (28-03-2014) werd op het Forschungzentrum Jülich het symposium 30 Jahre TEXTOR georganiseerd. Het event was naar aanleiding van de laatste experimentele sessie van de Duitse tokamak TEXTOR in december 2013. Het was heel leuk om weer eens in Jülich te zijn en de oude collega’s te zien. Veel van de mensen met wie ik op TEXTOR werkte (2003-2004 en 2007-2009) zijn al met pensioen gegaan. Maar velen waren voor dit moment toch weer even teruggekomen. Daarnaast waren ook veel vertegenwoordigers van andere Europese fusieexperimenten aanwezig. Ik heb niet geteld, maar ik gok dat er zo’n 300 gasten waren uit heel Europa.

De TEXTOR tokamak tijdens onderhoud. TEXTOR kon geopend worden, en uitelkaar worden geschoven.

De TEXTOR tokamak tijdens onderhoud. TEXTOR kon geopend worden, en uit elkaar worden geschoven.

Tijdens het symposium ging Prof.dr. Ulrich Samm uitvoerig in op de verdiensten van dit experiment en hoe de resultaten van TEXTOR hun weg vonden in grotere experimenten zoals Wendelstein 7X, ITER en JET. Textor was bedacht als fusie-technologisch experiment, met als zwaartepunt van het technologisch onderzoek naar de plasma-wandwisslewerking. Een uniek sellingpoint van TEXTOR was de zogenaamde dynamic ergodic divertor. Deze set spoelen, die je op geen andere tokamak ter wereld aantreft, was bedacht om magnetische verstoringen aan te leggen in de rand van het plasma. Hierdoor wordt het magneetveld ergodisch en daarmee wordt de warmte, die langs de veldlijnen het plasma uitstroomt, verdeeld over een groot oppervlak.

Aan de binnenkant va TEXTOR worden de spoelen van de dynamische ergodische divertor geplaatst. De fase tussen de bekrachtiging van de spoelen bepaalt of de verstoring in de rand van plasma wordt opgewekt of in de kern.

Aan de binnenkant va TEXTOR worden de spoelen van de dynamische ergodische divertor geplaatst. De fase tussen de bekrachtiging van de spoelen bepaalt of de verstoring in de rand van plasma wordt opgewekt of in de kern.

Ondanks de technologische orientatie is er veel fysica uit TEXTOR gekomen. Het experimentele programma van Textor werd de laatste jaren bepaald door 3 partners: FZ Jülich, FOM Rijnhuizen (tegenwoordig DIFFER) en de Ecole Royale Militaire (ERM) uit Brussel. Daarnaast waren ook de universiteiten uit Nord Rhein Westfalen aangesloten: Aken, Düsseldorf, Bochum, Bonn en Wuppertal. Sprekers van deze drie groepen keken terug op hun ervaringen (met veel foto’s uit de oude doos).

Een mooi voorbeeld van excellente fysica werd gegeven in de presentatie van Prof.dr. Roger Weynants, van de ERM. Door een spanningsverschil op te leggen tussen een probe en de TEXTOR wand, wordt een electrisch veld opgelegd. Dat leidt tot enorme vloeistofstromen in de rand van het plasmadie weer hun weerslag hebben op de lokale turbulentie en de opsluiting van het plasma. Het experiment van de Belgen waserg succesvol (in papers en citaties) omdat de methode het team in staat stelde om de causaliteit van de flows, de electrische velden en de confinementverbetering te onrafelen.

De ergodische divertor kon echter ook worden gebruikt om coherente structuren te maken in het kernplasma, een eigenschap waarvan het FOM team later graag gebruik zou gaan maken. Prof.dr. Tony Donne (FOM) ging uitgebreid in op de instrumenten die FOM de afgelopen jaren op TEXTOR instaleerde om deze structuren (MHD instabiliteiten) te meten. Vaak betrof het hier fantastische meetsystemen die nieuwe fenomenen haarfijn blootlegden. Prachtvoorbeelden zijn de gepulste reflectometer die ons in staat stelde om de verdeling van deeltjes in magnetische eilanden aan te tonen, het 2D ECE meetsysteem dat prachtig de dynamische evolutie van structuren in het plasma kon meten en de magnetische eiland stabilisatie van ‘ons.’

Nu ik terugkijk op mijn tijd op TEXTOR, zeker ook geinspireerd door de presentaties van gisteren voel ik toch dat we (als FOM) teveel ons eigen programma hebben gedraaid, en te weinig de synergiekansen hebben herkend. In retrospect zeg ik: we hadden ons ook moeten toegeleggen op een of twee hoge resolutie diagnostieken om de randturbulentie in detail te meten. Dan zouden we een natuurlijke synergie hebben gehad het met de kernprogramma’s ‘ergodisatie randplasma’ en ‘edge biasing.’

Geplaatst in Hall of fame, Reflectie | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Niemöllers G-plek

In 2012 schreef Joost Niemoller “het immigratietaboe,” een boek waarin 10 wetenschappers werden geïnterviewd over verschillende aspecten van  immigratie. Daarbij werd het begrip wetenschapper nogal breed geïnterpreteerd. Rijp en groen komen aan het woord in het boek, van een emeritus hoogleraar economie tot een net gepromoveerde juriste en zelfs een niet gepromoveerde econometrist. Waarom juist deze wetenschappers zijn uitgekozen voor een interview wordt niet gemotiveerd. Verrassend, om dat enkele van de wetenschappers nauwelijks publiceerden en een zeer lage Hirsh index hadden.

De interviews in het immigratietaboe verlopen via een vast stramien. De kamer van de bezochte wetenschapper wordt kort besproken, waarna iets wordt gevraagd over de acceptatie diens werk. De opening wordt steevast afgesloten met een uitspraak in de trant van “maar daar mag je niet over publiceren” of  “je bent toch er voor beducht dat je werk in een vreemd daglicht wordt geplaatst.”  Met andere woorden, de geïnterviewde wetenschappers worden gepresenteerd als moedige strijders voor de waarheid. Zij houden de rug recht ondanks alle politiek correcte peer pressure van hun links-intellectuele collega’s.

Een van de geïnterviewde wetenschappers is de gepromoveerd psycholoog Dr.  Jan te Nijenhuis, werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. Te Nijenhuis is gespecialiseerd in psychometrie en -onder meer- sterk geïnteresseerd in de relatie tussen IQ-scores en etniciteit. Al tijdens de promotie van te Nijenhuis waren er relletjes over zijn claim dat standaard IQ testen ook geldig zouden zijn wanneer die worden toegepast op immigranten in Nederland, zelfs als deze beperkt Nederlands spreken. Recent viel Te Nijenhuis nog op door zijn claim dat we de afgelopen 100 jaar dommer zijn geworden, hetgeen hij zou willen verklaren door de hogere geboortecijfers bij laagopgeleiden.

Van alle thema’s die Niemöller in zijn boek probeert aan te snijden blijkt hij het meest gefascineerd door de relatie tussen ethniciteit en IQ. Hij  is ervan overtuigd dat genetische verschillen er toe leiden dat immigraten van allochtonen van Afrikaanse afkomst aanpassingsproblemen zullen ondervinden ten gevolge van de lage IQs. Recent verscheen in Nieuwe Revu een interview met Niemöller. Hij stelt daar onder meer:”Criminelen zijn crimineel omdat ze een laag IQ hebben. En zwarten hebben gemiddeld een laag IQ. Ze hebben trouwens wel meer testosteron dan blanken, en zéker meer dan Aziaten. Vandaar dat verkrachtingen onder zwarten ook vaker voorkomen” en “het zou heel goed kunnen dat de daders van die vreselijke Indiase groepsverkrachtingen relatief donker zijn. Er schijnt een relatie te zijn tussen huidskleur en agressie. Je ziet het bijvoorbeeld bij dieren: een donkere leeuw is agressiever dan een lichtgekleurde. Bij mensen schijnt dat ook op te gaan. Omdat dat op een of andere manier in het genenplaatje aan elkaar gelinkt is.”

Wat je er ook van mag vinden van deze overtuiging, zo’n genetische component moet zich manifesteren in fysieke eigenschappen die leiden tot een hoger IQ. Spearman beschreef in 1904 dat deelresultaten van cognitieve testen –sterk- positief correleren. Met behulp van factoranalyse kon Spearman een enkele factor vinden, G, die onderliggend zou zijn aan deze sterke correlatie. Sinds de publicatie van Spearman wordt gepoogd fysieke eigenschappen die leiden tot hoge IQs , en daarmee expliciet G, te identificeren. Van alles is geprobeerd: Snelle(re) neuronen, aantallen neuronale connecties of de hoeveelheid hersenmassa, je kunt het zo gek niet bedenken, of het is geprobeerd. Al meer dan 110 jaar lang wordt er gezocht en er is gewoon geen fysiologische grondslag voor G gevonden. Dr. Vittorio Busato, hoofdredacteur van tijdschrift de Psycholoog vergelijkt in deze context de zoektocht naar G met de zoektocht naar de G-plek bij vrouwen.

De onmogelijkheid om een biologische silver bullet voor G, en daarmee het IQ te identificeren, suggereert dat G geen fysieke eigenschap reflecteert. Daarmee is Spearman’s G is een statistisch construct geworden, dat belangrijke hints geeft, maar geen realistische interpretatie verdient. Dat legt de vraag op tafel: Als G niet zou verwijzen naar een onderliggende fysiologische eigenschap, waar komt dan die correlatie dan vandaan?

Prof.dr. Han van der Maas (UvA) schreef in 2006 een bijdrage over een mutualistische interpretatie van de cognitieve data. Mutualisme is een begrip uit de ecologie dat verwijst naar de interactie tussen twee levensvormen, waarvan beide voordeel hebben. In de visie van van der Maas staan ook de verschillende cognitieve vaardigheden in een wederzijds stimulerende relatie tot elkaar. Als gevolg van het mutualisme, neemt G een significante waarde aan zonder dat er een onderliggende fysiologische eigenschap kan worden aangewezen. Een bijkomend voordeel van zo’n mutualistische beschrijving van de cognitieve vaardigheden is dat het fameuze Flynn-effect -het effect dat gemiddelde IQs iedere generatie stijgen en opnieuw op 100 genormeerd moeten worden-  op een natuurlijke wijze uit zo’n beschrijving zou kunnen volgen.

De gemiddelde IQs van volkeren verschillen onderling significant, maar dat is een statistisch maar geen statisch feit. Een andere boeiende realisatie van het Flynn effect is dat de IQs van 2e generatie allochtonen omhoog springt in vergelijk met dat van hun ouders. In het mutualistische beeld is dat geen verrassing: Door getraind te worden in wiskunde, wordt het denkvermogen gesterkt, daarmee neemt de vaardigheid van correct argumenteren toe, en daarmee het vermogen om goede opstellen te schrijven. Met andere woorden, training leidt direct tot enorme verbeteringen want we worden slimmer op alle cognitieve deelgebieden OMDAT we slimmer worden op een enkel deelgebied.

Bewust of onbewust is Niemöller voorbij gegaan aan moderne ontwikkelingen in het onderzoek naar IQ. Niemöller presenteert zijn bevindingen als feiten waarop een taboe ligt. Daarbij overspeelt hij zijn hand danig. Ik weet niet wat erger is: vooringenomenheid of incompetentie. Maar goed, dat is Niemöllers probleem. Nog veel erger vind ik dit: Er zijn nog steeds mensen, zo bleek op een avond over immigratie in de Balie en het interview in de Revu, die dit soort werk serieus nemen.

Het is symptomatisch voor de Zeitgeist van Nederland dat wetenschappers niet en masse in het toetsenbord grepen om te reageren op dit boek, en dat twee jaar na verschijnen ervan er nog geen reactie is van de KNAW.

Geplaatst in Hall of fame, Politiek correct, Reflectie | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Een voorbeeld van succesvolle valorisatie: HIT

Wij werken bij FOM DIFFER onder meer aan de ontwikkeling van kernfusie als energiebron. Naast de fysische thema’s zoals turbulentie, zelforganisatie, magnetohydrodynamica zijn er ook prachtige, geavanceerde, engineering uitdagingen. Het ontwerpen van instrumenten voor een kernfusiereactor is zo’n voorbeeld. In ITER zitten de instrumenten in modules (port-plugs). Het onderhoud aan deze port-plugs vindt plaats met tele-operations.

FOM participeert in een Europees consortium voor de ontwikkeling van de module voor Electron Cyclotron stroomdrijving. Hierin richten we ons op de controle van het plasma met het systeem (hele mooie samenwerking met TU/e) en de onderhoudbaarheid van het systeem.

Eigenlijk kun je een instrument voor een fusiereactor zien als een satelliet: het is een geavanceerd systeem dat stralingshard moet zijn, en tegen grote belastingen  bestand moet zijn. Je kunt, nadat je bent begonnen met het experimentele programma van ITER, er niet meer bij zonder enorme kosten. Denk aan de reparatie van de spiegel van de  Hubble-telescoop.

In discussie met ITER bleek dat we vroeg waren -het eerste consortium dat de onderhoudbaarheid geïntegreerd in het design meenam- en dat ITER graag had dat we het systematisch zouden oppakken. Daarom besloten we op zoek te gaan naar kennis van systemengineering, ruimterobotica en missionplanning. We kwamen uit bij HIT, een klein engineering bedrijf van Cock Heemskerk. Cock had ruimte ervaring met de bovengenoemde onderwerpen. Door de kennis van HIT, FOM en virtual reality bedrijf TreeC te verbinden, waren we in staat  het Remote Handling Study Centre te ontwikkelen en plaatsten bij FOM DIFFER.

FOM heeft een aantal contracten op het gebied van Remote Handling ontvangen, van F4E en ITER. Afgelopen week kregen we een contract van ITER om een Japans systeem te analyseren in ons study centre.

Ondertussen ziet Cock andere toepassingen voor de methode, en HIT maakt nu kans op de “nationale succes award” van het RTL-Z programma de succesfactor. Meer info over het programma, met een mooi interview op de Remote Handling-zolder.

Geplaatst in Hall of fame, Innovatie, Politiek correct | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen